Grondlegger homeopathie nooit echt begrepen

Samuel Hahnemann

Ewald Stöteler schreef ‘leeswijzer’ bij werk Hahnemann

Dr. Samuel Hahnemann (1755-1843) staat bekend als de grondlegger van de huidige homeopathie. Maar wie denkt dat het werk van Hahnemann tot op de komma is gelezen en begrepen, heeft het mis. Volgens klassiek homeopaat en docent Ewald Stöteler wordt het tijd dat homeopaten de boeken van Hahnemann serieus nemen. Hij schreef een ‘leeswijzer’ bij Hahnemann, met de titel: Hahnemann Begrijpen. “Mijn inzet is dat dit boek de homeopathie gaat veranderen”, aldus Stöteler.

Door: Toine de Graaf

De spreekkamer van homeopaat Ewald Stöteler, net buiten het centrum van Almelo, ademt Hahnemann. De Duitse arts is niet alleen goed vertegenwoordigd ín de boekenkast maar ook er bovenop, in de vorm van een klein borstbeeld. En alsof dat nog niet genoeg is, staat het borstbeeldje ook nog eens oog in oog met een portret aan de muur, van weer Hahnemann.  Meer homeopaten zouden zich consequent moeten laven aan de oude meester, vindt Stöteler. “Veel van Hahnemanns werk is tot op heden onvoldoende begrepen en doorgrond. Het gevolg is, dat het onvoldoende in praktijk wordt gebracht. Als Hahnemann nú zou opstaan uit zijn graf, zou hij zich absoluut niet herkennen in de huidige homeopathie. Ik denk dat hij zou zeggen: ‘Hé, verhip, dat is nog homeopathie van de eerste jaren, 1810-1815’. Terwijl Hahnemann juist daarna een grote ontwikkeling heeft doorgemaakt.”   Dat deze ontwikkeling nooit is vertaald in de praktijkvoering heeft waarschijnlijk verschillende oorzaken. “Een rol speelt in elk geval dat de zesde editie van ‘de Organon’ niet is opgepikt. De zesde editie was persklaar tijdens het leven van Hahnemann, maar werd pas na veel moeilijkheden en hardnekkige onderhandelingen met de erfgenamen in 1921 gepubliceerd. Bijna tachtig jaar later.”   In de tussentijd had de homeopathie zich ontwikkeld volgens de vierde editie. De vijfde editie werd genegeerd, omdat die kennelijk weinig nieuws bevatte. “De zesde editie gaf een volledige herziening van veel aspecten van de homeopathie. Zo ging het uitsluitend over het gebruik van LM-potenties. Maar die hebben nauwelijks voet aan de grond gekregen in de homeopathische praktijk.”   Ook het lot van het boek ’Chronische Ziekten’ (1828) heeft een rol gespeeld. “Dat boek is ook nauwelijks serieus genomen. Homeopathie anno 2003 is vooral ‘Kentiaanse’ homeopathie, dus gebaseerd op de invloed van James Tyler Kent (1849-1916). Die werkte vanuit de vierde editie van ‘de Organon’ en had geen oog voor ‘Chronische Ziekten’. Terwijl dat een belangrijk boek is.”   Hahnemann nam gaandeweg afstand van de vierde Organon-editie. “In de jaren 1810-1816 stond Hahnemann ontzettend kritisch tegenover zijn eigen functioneren. Over de homeopathie die hij praktiseerde en die later bekend zou worden als de ‘Kentiaanse’ homeopathie, schreef hij: ‘Het begin was verheugend, de voortzetting minder gunstig en de afloop hopeloos’.    Hij was ontevreden over de resultaten die hij behaalde, vooral over de behandeling van chronische ziekten. Iedere ziekte werd op zichzelf staand behandeld met merendeels vanuit de fytotherapie afkomstige plantaardige en dierlijke middelen. In de periode 1816-1817 hield hij zich indringend bezig met de vraag: wat is de fundamentele oorzaak van ziekten? Dat leidde tot de ontdekking van de miasmaleer, een manier om ziekten te classificeren.

Daarna had hij elf jaar nodig gehad om de bijbehorende middelen te ontwikkelen. In 1828 volgde de publicatie van ‘Chronische Ziekten’. Toen gingen collectief de hakken in het zand. Zoals dat nu waarschijnlijk zal gebeuren met míjn boek.”

Hoger rendement

Voor Stöteler staat het als een paal boven water: Hahnemann is toe aan een revival. “Ik heb als docent beide boeken tientallen keren doorgewerkt. Ik ben er in mijn praktijk steeds tegenaan gelopen. Daardoor is voor mij steeds helderder geworden wát er staat en wáár het staat. Daardoor is een soort totaaloverzicht ontstaan. Wat blijkt dan? Dat Hahnemann overal uiterst consequent is en altijd hetzelfde zegt. Kriskras door ‘de Organon’ en ‘Chronische Ziekten’ heen. Het is onbegrijpelijk, dat dit nooit is gezien. Dat verbaast me elke dag. Je hoort: ‘Hahnemann had het allemaal niet meer zo helder aan het eind van zijn leven’. Maar de waarheid is dat niemand Hahnemann ooit écht heeft begrepen.”   “Een paar jaar terug is mij verzocht er een boek over te schrijven. Maar na anderhalf jaar had ik amper drie hoofdstukken klaar. Daarna werd mij gevraagd het boek te presenteren tijdens het internationale NVKH-congres ‘Crossing Bridges’, dat afgelopen mei heeft plaatsgevonden in Egmond aan Zee. Toen moest het dus af. In de zomer van 2002 heb ik continu zitten schrijven en was de ruwe versie klaar. Er is nu ook een Engelstalige versie. Het Duitse taalgebied wordt benaderd. Mijn inzet is, dat dit boek de homeopathie gaat veranderen. Ik denk namelijk dat het rendement van de homeopathie veel hoger kan.”

Classificatie

Vooral de ziekten- en geneesmiddelenclassificatie die Hahnemann presenteert in ’Chronische Ziekten’ kan een kwaliteitsimpuls betekenen voor het homeopathisch werkveld. “Volgens Kent en zijn tijdgenoten moet een geneesmiddel worden voorgeschreven op de totaliteit van de symptomen. Daarbij wordt een reducerende methode toegepast, want alleen de belangrijkste symptomen blijven uiteindelijk over. De latere Hahnemann werkt heel anders. Hij neemt eerst een totaalanamnese af en probeert daarna de symptomen te herleiden tot een ziektevorm, op basis van zijn ziektenclassificatie.”  In zijn classificatie maakt Hahnemann onderscheid tussen acute en chronische ziekten. “De acute ziekten hangen samen met de omstandigheden, leefsituatie en buitenwereld van de patiënt. Aanleiding en oorzaak komen van buiten en zijn ‘exogeen’. Bij de ziekten van buiten gaat het onder meer om incidenten, zoals een val van een trap en de epidemieën.”  Bij de chronische ziekten is sprake van een duurzame ontregeling van het natuurlijk herstelvermogen. “Chronische ziekten zijn ‘endogeen’, ze komen van binnenuit. De oorzaak is meestal een miasmatische verstoring. Hahnemann onderscheidt ook nog de ‘acuut miasmatische ziekten’. Daarvan is sprake als een chronische ziekte op basis van een externe prikkel of interne oorzaak acuut wordt. Bijvoorbeeld: iemand heeft chronische bronchitis en krijgt een astma-aanval.”  Volgens Hahnemann zijn deze verschillende ziektevormen te behandelen met specifieke geneesmiddelengroepen. “De plantaardige en dierlijke middelen zijn volgens hem bij uitstek geschikt voor de behandeling van ziekten met een exogene oorzaak. Kortom: de acute ziekten zoals de incidenten en epidemische ziekten. En voor de acute fase van de acuut miasmatische ziekten. De constitutionele ziekten daarentegen, zijn te behandelen met de zogenaamde ‘anti-psorische’ of minerale geneesmiddelen.”

Afwisseling

Ten aanzien van Hahnemanns ziekten- en geneesmiddelenclassificatie heeft Stöteler wel een puntje van kritiek. “Hahnemann had deze classificaties voorin zijn ‘Chronische Ziekten’’ moeten zetten. Dan was zijn boodschap misschien wel overgekomen. De classificaties zijn als het ware ‘verstopt’ in zijn boek en daardoor over het hoofd gezien.”  Het is de vraag of homeopaten nú nog de moed kunnen opbrengen om het roer om te gooien. “Mijn boek staat in feite haaks op andere literatuur en op wat mensen leren in de opleidingen. Er wordt bijvoorbeeld geleerd dat belladonna een typisch constitutiemiddel is. Maar dat is onzin vanuit de optiek van Hahnemann, want het is een plantaardig middel en dus vooral geschikt voor acute situaties.”   Bovendien wisselt Hahnemann middelen af. “En dat geldt binnen de homeopathie als vloeken in de kerk. Echter: het dogma van het éne zaligmakende middel, het ultieme similium, is van Kent. Niet van Hahnemann. Afwisselen kan overigens alleen in het licht van de classificering. Ik geef bijvoorbeeld belladonna op basis van een acuut miasmatische situatie, bijvoorbeeld bij hoge koorts. En ik geef calciumcarbonaat op basis van de constitutie. Die middelen wissel ik af. Het is een spel van levenskrachten. Je moet gelijksoortig handelen. Als zich iets wijzigt in de situatie, moet het middel worden aangepast. Dat heeft allemaal te maken met ziektedynamiek.”

LM-potenties

Werken volgens Hahnemann betekent overigens meer dan je verdiepen in zijn classificaties en techniek van het afwisselen. Homeopaten bijvoorbeeld die een voorraad C-potenties hebben aangelegd, zullen grote opruiming moeten houden. Om de eenvoudige reden dat de late Hahnemann nog uitsluitend met LM-potenties werkte. “De LM-potentie is volgens hem de meest volmaakte potentie. Vooral omdat die de behandelingsduur aanzienlijk kan bekorten.”   De LM-potentie wordt bereid via de verdunningsverhouding 1:50.000 en met iedere potentiestap gedynamiseerd door honderd maal schudden. Hahnemann ontwikkelde de energetische LM-potenties in zijn ‘Parijse’ periode, via vermoeiende proefnemingen. “Toen in 1921 de zesde editie van ‘de Organon’ verscheen, stuitte deze compleet andere methode van potentiegebruik op groot onbegrip bij de beroepsgroep. Zoals eerder zijn ziekten- en geneesmiddelenclassificatie niet waren begrepen. Het in de dagelijkse praktijk integreren van de laatste door Hahnemann gedane ontdekkingen is in mijn optiek dè uitdaging voor de hedendaagse homeopathie.”  Eenvoudig zal het niet zijn, weet Stöteler. “De toepassing van LM-potenties verschilt op veel punten van die van C-potenties. De reactiepatronen verschillen, de dosering verschilt, het aantal schudslagen en de verdunningsgraad zijn per situatie anders en de innamenfrequentie hangt af van het individu en de pathologie. De werkwijze verschilt hemelsbreed van de eenmalige inname van een C-potentie. En niet iedereen zal bereid zijn een leerproces aan te gaan waarbij je in feite weer van voren af aan moet beginnen.”

Beginverergering

Zo kan een LM-potentie dagelijks of desnoods meerdere keren per dag worden ingenomen, ook bij chronische situaties. “Je kunt de dosering daardoor beter aanpassen en hebt veel meer controle. Je kunt veel beter sturen en de energetische prikkel afstemmen op de gevoeligheid van de patiënt. Daardoor worden (begin)verergeringen voorkomen. Verergeringen staan gelijk aan energieverlies en zijn dus per saldo negatief. Patiënten met een lage vitaliteit kunnen er niet eens een verergering bij hebben. Denk bijvoorbeeld aan terminale patiënten.”   Homeopathische verergeringen hebben volgens Hahnemann geen meerwaarde voor het ziekteproces. “Ze passen niet bij zijn doelstelling: ‘Snel, zacht en duurzaam herstel van de gezondheid’. Verergering wijst op ongelijksoortigheid van de dosis, de potentie en/of de innamenfrequentie. Het hoort niet. Het is een schoonheidsfout. Homeopaten denken vaak bij een verergering: yes, het middel is goed, er wordt op gereageerd. Maar dat is korte termijn politiek.”   Bovendien kan een middel dat er net naast ligt ook een verergering oproepen. “In de verergering worden de symptomen duidelijker van het middel dat je moet geven. Het wil dus niet eens zeggen dat je op het juiste middel zit. Je kunt er ook net naast zitten. Alleen de eindverergering is geen schoonheidsfout, in de visie van Hahnemann. Daarmee bedoelt hij een lichte terugkeer van de oorspronkelijke symptomen aan het slot van de innamereeks van een antipsorisch constitutiemiddel.”

Snuifdosis

Een ander belangrijk verschil met de C-potenties is dat de LM-potenties uitsluitend in vloeibare vorm worden toepast. Er zijn twee opties: ze worden opgelost als verdunning in water, of opgelost in een flesje met 40%-alcohol waaraan de patiënt moet ruiken. “Ik weet dat ook de snuifdosis moeilijk ligt. Daar wordt in homeopathische kringen lacherig over gedaan, terwijl het zeer gebruiksvriendelijk is en zeer efficiënt. Het werkt bijvoorbeeld uitstekend in acute situaties, van long- tot blindedarmontstekingen. Patiënten dienen bijvoorbeeld elke tien minuten even licht aan het flesje te ruiken, alsof ze aan een roos ruiken. De kracht van de snuifdosis neemt af naarmate het alcoholpercentage lager is en de patiënt lichter aan de oplossing ruikt.”   “Ook over de snuifdosis zeg ik: jammer dat het nooit breder ingang heeft gevonden. Hahnemann heeft mij, om eerlijk te zijn, nog nooit teleurgesteld. Laat ik het eens zo formuleren: vanaf 1986 ben ik gaan werken zoals Hahnemann. Ik heb in die periode een cesuur ervaren als het gaat om het resultaat van mijn behandelingen. Daarvóór behaalde ik beduidend minder goede resultaten dan daarna. De effectiviteit in mijn praktijk is aanzienlijk toegenomen. Dat gun ik andere homeopaten ook, en hun patiënten.”

Ewald Stöteler. Hahnemann Begrijpen. Praktijkgerichte synthese van ’de Organon’ en ‘Chronische Ziekten’.

Toine de Graaf is journalist